Artikelen

Eye magazine - 24-03-2010

Auteur: Saskia Dijkstra

Wat zich intern afspeelt, is extern zichtbaar
Steden en gemeenten hebben steeds vaker city marketeers in dienst, die ervoor zorgen dat hun stad of hun gemeente tot de beste, mooiste, meest aantrekkelijke stad of gemeente van de regio of het land gaat behoren. Waar we het feitelijk over hebben, is de aantrekkingskracht van een stad zo optimaal mogelijk maken, oftwel de likeability te maximaliseren.

Om dit voor elkaar te krijgen, gaan experts en vakmensen de komende decennia dieper in op het gegeven wat een stad likeable maakt. Sociologen, planologen, stedenbouwkundige, architecten spreken zich hier al jaren over uit: Een goede ruimtelijke inrichting, een prettig leef- en woonklimaat, een goede cohesie, een goed aanbod van cultuur en voorzieningen. In mijn ogen zijn dit nog te veel subjectieve criteria, die te vaak leunen op overtuigingskracht en niet op een gedeeld inzicht. In de toekomst zullen we vaker moeten gaan kijken naar wat de neurologie ons vertelt over de werking van de hersenen. Immers, wat extern zichtbar is, speelt zich allereerst intern af. Als we in staat zijn om aan de hand van de logica van de hersenwerking de werking van de stad te verklaren, dan schept dit ons een kader waarbinnen city marketeers, architecten, stedenbouwkundigen, projectleiders met elkaar van gedachten gaan wisselen en tot concrete interventies komen om de stad meer ‘likeable’ te maken.

In de neurologie zien we grosso modo acht aspecten die de werking van de hersenen duiden. Dit zijn: interactie, systeem, adaptief vermogen, trilling, oriëntatie, patronen / herinnering, ritme en intelligentie. Deze acht principes verklaren de mate waarin er van een stad gehouden wordt, of beter gezegd, het verbindend vermogen (‘er bij willen zijn’). Het gaat er nu om al deze acht principes in goede balans te krijgen. Als die er is, dan hebben we een grote likeability van de stad en is de stad in staat mensen aan te trekken. Als we kijken naar deze acht principes en deze op een stad afvuren, dan krijgen we de volgende stellingen:

1. De likeability van een stad wordt verklaard door de mate waarin interactie kan plaatsvinden.
Een aantrekkelijke stad slaagt er in om mensen met elkaar in aanraking te brengen, ook en vooral als ze er met uiteenlopende motieven komen. Steden vormen het raamwerk voor de fysieke ruimten waarin deze ontmoetingen tussen individuen en groepen kunnen plaatsvinden. Straten, pleinen en parken dienen een openbaar karakter te hebben; dat maakt ontmoetingen mogelijk. De likeability van een stad wordt groter als de stad binnen de stedelijke ruimte deze interacties faciliteert en stimuleert.

2. De likeability van een stad wordt bepaald door de mate waarin de stad een coherent organisch of planmatig systeem vormt.
In de jaren dertig abstraheerde Harry Beck de plattegrond van de Londense ondergrondse. Beck tekende een kaart met punten en rechte verbindende lijnen. De voorheen geografisch correcte, maar zeer complexe plattegrond werd vervangen door een simpele plattegrond die wel het systeem van de relaties, maar niet de fysieke plaats van de stations aanduidde. De likeability van een stad wordt groter naarmate de combinatie van ruimte en het gebruik ervan een coherent systeem vormen.

3. De likeability van een stad wordt bepaalde door de mate waarin zij in staat is zichzelf opnieuw uit te vinden.
Een stad die likeable is, is in staat tot vernieuwing en aanpassing. Hiermee wordt niet zozeer de flexibiliteit van de gebouwde omgeving bedoeld – want zijn grachtenpanden nog functioneel dankzij het flexibele raamwerk, of zijn ze nog functioneel ondanks dat er veel betere huisvesting beschikbaar is? De likeability van een stad wordt groter naarmate zij in staat is te veranderen, zonder daarbij haar kenmerken te verliezen. Het gaat dus om de mogelijkheid van aanpassing (adaptief vermogen).

4. De likeability van een stad wordt bepaald door de mate waarin deze trilt van jouw energie.
Trillend van energie – het Engelse woord vibrant is een treffender term. De vibratie van de stad wordt gevormd door bewoners en bezoekers die hun energie in de stad kwijt willen. De likeability van een stad wordt groter naarmate de stad in staat is een klimaat te scheppen waarin bewoners, bezoekers, ondernemers etc. de vrijheid wordt geboden om de breedst mogelijke variatie aan activiteiten te ontplooien.

5. De likeability van een stad wordt bepaald door de mate waarin je er in kunt dwalen, maar nooit verdwalen.
De mentale kaart of ‘map’ die de bewoner of bezoeker maakt van een stad, steunt vooral op de snelheid waarbinnen de openbare ruimten en eventuele stadsiconen kunnen worden opgenomen in het korte termijn geheugen. Een logische opbouw is niet per se ook duidelijk. We oriënteren ons via herkenning, en dan is gelijkvormigheid verwarrender dan het organisch gegroeide stratenpatroon van een middeleeuwse binnenstad. De likeability van een stad wordt groter naarmate de stad beseft dat variatie leidt tot oriëntatie.

6. De likeability van een stad wordt bepaald door krachtige en vele verhalen, die eenvoudig reproduceerbaar zijn
Een likeable stad geeft voortdurend aanleiding tot het creëren van nieuwe verhalen. De verhalen ontstaan uit een combinatie van het beeld dat we uit eigen waarneming vormen en het beeld dat anderen ons voorschotelen in film, kunst en literatuur. In de ‘most liekable’ stad is altijd plaats voor nieuwe verhalen, die eenvoudig te reproduceren zijn, reëel of niet.

7. De likeability van een stad wordt bepaald door variatie in tempo’s.
De stad die nooit slaapt en 24 uur, 7 dagen per week leeft en bruist: dit ideaalbeeld schetsen we vaak voor binnenstedelijke (her)ontwikkeling. Hoewel de realiteit vaak genuanceerder uitpakt, valt er veel voor dit streven te zeggen. Alleen al historisch gezien is het mengen van dag- en nacht- ritmes succesvol gebleken. In de ‘most likeable’ stad wordt dankzij dubbelgebruik efficiënt omgegaan met de schaarse ruimte en grondstoffen. De tempo’s verschillen van locatie tot locatie, waardoor er, door de tijd heen, altijd wat te doen valt.

8. De likeability van een stad wordt bepaald door de mate waarin zij de intelligentie heeft om ontwikkeling toe te laten.
Net zoals neuronen in de hersenen met elkaar in verbinding staan, staan gebouwen – en de stedelijke ruimten daartussen – met elkaar in verbinding. In plaats van elektrische signalen zorgen mensen en activiteiten voor de verbindingen. De stad zelf is niet intelligent; de stad is een
fragiele balans van gebouwen en de gebruikers en functies die ze huisvesten.
Het beheer van deze balans vraagt wel om intelligentie. Die zit bij de mensen die ervan gebruik maken en degenen die haar beheren, ofwel de bewoners en het bestuur. Uitdaging voor elke stad is het intelligent omgaan met wat je hebt én het creëren van wat je nodig gaat hebben De ‘most likeable’ stad slaagt daar het meeste in.


Top